Spring naar inhoud

Fausto Coppi

Fausto Coppi, die tientallen jaren na zijn tragische dood op 2 januari 1960 nog altijd wordt gezien als de grootste campionissimo die Italië voortbracht, was al een mythe voordat hij in 1949 eindelijk naar de Tour kwam. Sinds zijn profdebuut in 1940 (als twintigjarige meteen winnaar van de Giro!) had de spichtige boerenzoon met de lange pezige staken al een erelijst van jewelste bijeen gefietst. Vooral de manier waarop hij dat deed, was indrukwekkend geweest. Zo had de op 15 september 1919 in Castellania geboren Fausto in 1946 in Milaan-Sanremo een solovlucht vanliefst 147 kilometer voltooid met een klein kwartier voorsprong. Ook de Ronde van Lombardije zag hem in 1946 voor alle anderen uit snellen nadat hij eerder dat jaar al eens op soortgelijke wijze had uitgepakt in de Giro d’Italia. Bijvoorbeeld in de rit naar Bassano waarin de grandioze tijdrijder 153 kilometer in zijn eentje buiten schot was gebleven. Dat hij die Ronde van Italië ook won, was toentertijd vanzelfsprekend.

Fausto Coppi

Krijgsgevangene
Des te indrukwekkender omdat Coppi toen nog niet zo lang uit krijgsgevangenschap terug was. Als korporaal in het leger van Mussolini had hij in Noord-Afrika tegen de Britten van Montgomery moeten vechten en was daarbij achter prikkeldraad beland. Niet bevorderlijk voor de loopbaan van zo’n topsporter die in 1942 al voor de tweede keer wegkampioen van Italië was geworden. Fausto Coppi, die uiteraard niet te klagen had over gebrek aan supporters (ze raakten bijna hysterisch als ze hem zagen en kusten de grond waar hij had gereden!) was dan ook superfavoriet toen hij in 1949 zijn opwachting in de Tour maakte. Dat verwachtingspatroon deerde hem blijkbaar niet, want na de nodige aanloopproblemen in de eerste etappes, waarin ploegleider Alfredo Binda nog stilletjes leek te kiezen voor Gino Bartali, de oudere vedette en tweevoudig Tourwinnaar in zijn equipe, keerde het tij voor Coppi die uiteindelijk zegevierde met bijna elf minuten voorsprong op zijn aartsrivaal.

De sterkste
In de Alpenrit naar Briançon toen beide Italianen getweeën in de aanval reden en bij bandbreuk op elkaar wachtten, gunde Fausto zijn medevluchter nog de etappewinst in verband met Gino’s 35e verjaardag. Toen een dag later naar het vaderland werd gekoerst en het duo opnieuw onweerstaanbaar was weggereden, kreeg Coppi de vrije hand van ploegleider Binda op het moment dat zijn vluchtmakker Bartali fysieke schade van een val leek te hebben opgelopen. Fausto was al weg en arriveerde vier minuten eerder dan zijn landgenoot in Aosta en elf minuten voor de eerste niet-Italiaanse achtervolgers. De gele trui die zijn ploegmaats Fiorenzo Magni en (ook nog een dag) Gino Bartali tijdelijk hadden gedragen nadat het onbekende Franse kereltje Jacques Marinelli er bijna een week in boven zijn stand had geleefd, was nu definitief voor hem. Nadat hij eerder in die Tour al de tijdrit naar La Rochelle over 92 kilometer had gedomineerd, maakte Fausto vervolgens in de tweede race tegen de klok (Colmar-Nancy over liefst 137 kilometer) aan iedereen duidelijk wie echt de sterkste was. Als een geoliede machine raasde hij onbeweeglijk en met die lenige pedaalslag naar een fenomenale triomf. Naaste belager Gino Bartali had in Nancy zeven minuten achterstand, ex-geletruidrager Marinelli, vierde in die tijdrit, meer dan elf minuten.

Broer
De vriendelijke, nogal timide Coppi was dat jaar bezig aan een van de beste episodes in zijn loopbaan: niet alleen won hij in 1949 zowel de Tour als de Giro, hij greep de regenboogtrui op de achtervolging, eigende zich ten tweeden male de Italiaanse wegtitel toe en won de Italiaanse topklassiekers Milaan-San Remo en Ronde van Lombardije. Een mooiere naam kon de Tour niet op zijn erelijst bijschrijven. In 1950 moest Coppi forfait geven wegens een val in de Giro en in 1951 was de campionissimo zwaar depressief door de dood van zijn jongere broer Serse vlak voor het begin van de Tour op 29 juni. Deze trouwe helper van de campionissimo (in 1949 na jury-uitspraak overigens gedeeld eerste in Parijs-Roubaix en dus een jongen die wel wat kon) was in de Ronde van Piemonte kort voor het einde tegen het wegdek gesmakt, nog naar zijn hotel gefietst maar onwel geworden, naar het ziekenhuis gebracht en aldaar alsnog aan hersenletsel bezweken. Broer Fausto was zwaar aangeslagen en eigenlijk niet bij de Tour met zijn gedachten. Wat hem niet belette de traditionele Alpenetappe Gap- Briançon te winnen en in Parijs als tiende te eindigen, zij het op ruim drie kwartier van winnaar Hugo Koblet, een renner van zijn superklasse natuurlijk onwaardig.

Fausto Coppi

Nolten
In 1952 kwam de Italiaanse boerenzoon echter in volle glorie terug. In die Tour was hij zo superieur dat de organisatie in doffe wanhoop besloot het prijzengeld voor de nummers twee en drie in het eindklassement te verdubbelen, om te voorkomen dat deze editie van de Ronde een vroegtijdige dood zou sterven. Fausto won de tijdrit Metz-Nancy over 60 kilometer en daarna zowel de allereerste bergrit naar l’Alpe d’Huez (stoomde halverwege de klim koploper Jean Robic voorbij) als daags erop de Alpenrit van Le Bouig d’Oisans naar het Italiaanse Sestriere. Op 75 kilometer van de meet vertrok Coppi, om met 7 minuten voorsprong op de Spaanse klimmer Bernardo Ruiz aan de meet te arriveren. Ten bewijze dat de machtswisseling in het Italiaanse kamp nu definitief was, gaf de inmiddels 38-jarige Gino Bartali een wiel aan Coppi toen deze op weg naar Monaco lek reed. De Limburger Jan Nolten verscheen die dag overigens voor het eerst groot in het Nederlandse nieuws door de etappe (met aan het slot de Col de Turbie) te winnen. Diezelfde Nolten fikste enkele dagen later bijna het onmogelijk geachte door Fausto Coppi op de Puy de Dome (voor het eerst in het parcours opgenomen) af te troeven. Het was dat jaar de vijfde ritzege van de man die nooit te beroerd was een criterium te komen rijden in pakweg Den Bosch of La Louviere of een zesdaagse in Argentinië.

Broos lichaam
Bij alle successen heeft Coppi echter ook veel persoonlijk leed gekend. Zijn krijgsgevangenschap en de dood van zijn geliefde broer noemden we al, maar een broos skelet bezorgde Fausto ook meer breuken dan hem lief was. De Italiaan leek het ongeluk aan te trekken. Op training kreeg hij zelfs een voltreffer van het losgeslagen wiel van een vrachtwagen. Een schedelbreuk was een van de gevolgen. En uiteraard kampte hij in zijn korte leven met de alom bekende scheidingsperikelen, ontstaan doordat hij geen weerstand kon of wilde bieden aan de verleiding van een vrouw die als ‘de dame in het wit’ bekend stond, maar de echtgenote van zijn huisarts was. Die medicus heeft in de carrière van Coppi een zeer grote rol gespeeld, met alle geruchten van dien. Feit is dat Fausto Coppi, die op 7 november 1942 op de Vigorelli-baan van Milaan het werelduurrecord van Maurice Archambaud met 31 meter verbeterde tot 45,871 km. en in 1953 in Lugano op weergaloze wijze naar de wereldtitel op de weg reed, zijn tijd ver vooruit was op het gebied van voeding en medische begeleiding. Zijn dood kwam heel verrassend toen hij malaria opliep na een korte wielertournee in Afrika. Italië lijkt nog altijd in rouw.

Advertenties